Afscheidsgedicht

Dit gedicht schreef ik voor een vrouw die afscheid nam van werk en collega’s vanwege pensioen. Ze droeg het gedicht voor tijdens de afscheidsbijeenkomst. Daarnaast had ze een dubbele kaart laten drukken met een foto die zij zelf voor deze gelegenheid had gemaakt op de voorzijde, en het gedicht aan de binnenzijde. Deze kaart heeft ze uitgedeeld aan de aanwezigen en nagestuurd aan een aantal mensen. 

Het gedicht heeft zes strofen van vier regels. Om een indruk te geven van mijn stijl toon ik hieronder de eerste strofe, twee regels van de tweede strofe en de vijfde strofe.

Niets ten einde, niets valt uiteen,
Ik neem een afslag alleen.
Jullie-Geheel anders, maar immer compleet,
Ik die opnieuw start en niet weet.

De Hogeschool biedt mij werk en is royaal.    
Het instituut begrenst en besluit, maar laat tussenruimte, niets is finaal.  

[…]

 

Het nieuwe cursusjaar lonkt, onverminderd,
mijn onderwijshart bonst, ongehinderd.
En zeg vaarwel, tóch, evengoed.
Omdat een volgende periode mij nodigt, open doet.

[…]

Het is een foto van een stuk van het verdronken bos bij Schalkwijk. De vrouw licht haar keuze voor deze foto als volgt toe:

“Dit ‘dode bos’ ademt rust en schoonheid en verrast steeds weer wanneer je vanuit het gewone bos ‘dit bos’ aanschouwt. De gefotografeerde stam is net een kathedraal. Een kathedraal van licht. De foto ontroerde mij en staat symbool voor de laatste levensfase die ik nu ingegaan ben, waarin het spirituele licht mij vanuit schoonheid en rust begeleiden zal. Daar vertrouw ik op.”

 

Meer voorbeelden van gedichten vind je via de pagina stijl.